Rasstandaard

Rasstandaard
Nr. 347 / 18-12-2002 Nederlands

ZWITSERSE WITTE HERDERSHOND

(Berger Blanc Suisse - White Swiss Shepherd dog)
Oorsprong en datum van publicatie van de huidige rasstandaard :
FCI erkende rasstandaard van 18 december 2002.  Internationaal aangenomen op 1 januari 2003

Nederlandse vertaling vanuit de originele Franse versie : Ruut Tilstra, Jan de Gids.

LAND VAN OORSPRONG : Zwitserland

Datum van Publicatie van de geldende originele standaard : 26-11-2002

Kort overzicht van de geschiedenis :
Nadat in 1959 de kleur 'wit' uit de standaard van de Duitse Herdershond was geschrapt, verdwenen de witte Duitse Herdershonden bijna volledig van het Europese continent. Slechts dankzij het onafhankelijk verder fokken in Amerika en Canada konden de Witte Herdershonden overleven en zich langzamerhand tot een zelfstandig ras ontwikkelen.
Met uit Amerika en Canada geïmporteerde honden werden de Witte Herdershonden door de jaren heen over geheel Europa verspreid, waar heden ten dage duizenden, al generaties lang zuiver gefokte, exemplaren leven.  Van zijn Duitse 'verwanten' heeft de Witte Herder zich in de loop van tientallen jaren anatomisch en qua karakter duidelijk verwijderd.  De Witte Herder wordt sinds juni 1991 in Zwitserland als nieuw ras onder de naam "Witte Herdershond" erkend.  In Nederland wordt de hond vanaf 1 juni 1992 door de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland geregistreerd in een Voorlopig Register als Amerikaans-Canadese Witte Herder en vanaf 1 januari 1998 als 'Witte Herder'.  In 2001 wordt de Witte Herder inmiddels in 8 landen nationaal erkend, te weten : Zwitserland, Nederland, Oostenrijk, Denemarken, Finland, Zweden, Tsjechië en Zuid-Afrika.  Op 15-08-2001 worden de acht vereiste bloedlijnen voor internationale erkenning aangeboden en op 2 oktober 2001 geaccepteerd voor de FCI.

Gebruiksdoel :
Familie- en gebruikshond met uitgesproken liefde voor kinderen, een oplettende waker, een opgewekte en gemakkelijk lerende werkhond.


Classificatie F.C.I. : Rasgroep 1.  Herdershonden en veedrijvers (met uitsluiting van de Zwitserse Sennenhonden).  Geen werkproef.

Algemene verschijning :
Een krachtige, goed bespierde middelgrote stok- of langstokharige herdershond met staande oren, van rechthoekig formaat, middelzwaar beendergestel en een elegant en harmonieus silhouet.

Belangrijke verhouding/formaat :
Middellang rechthoekig formaat.  De verhouding van de lichaamslengte (gemeten vanaf het borstbeen tot het zitbeen) en de schofthoogte bedraagt 12 : 10.
De afstand van de stop tot een de neusspiegel overtreft die van de stop tot aan de achterhoofdsknobbel in geringe mate.

Gedrag en karakter :
Temperamentvol zonder nervositeit, opmerkzaam en waakzaam, soms enigzings gereserveerd tegenover vreemden, echter nooit angstig of agressief.

EXTERIEUR

Hoofd :
Krachtig, droog en slank beneden, in goede verhouding tot het lichaam staand.


Schedel :
Schedel : Flauw gewelfd, met nauwelijks aanwezige middengroef.
Stop : Zacht verlopend, doch duidelijk zichtbaar.

Gezicht :
Neusspiegel : middelgroot.  Zwart gewenst, een lichtere neus en/of wisselneus is toegestaan.
Snuit : Krachtig en middellang in verhouding tot de schedel.  Neusrug en onderkaakbelijning zijn recht, naar
          de neus toe licht samenlopend.
Lippen : Strak, goed gesloten, bij voorkeur zo zwart mogelijk.
Gebit : Krachtig en volledig schaargebit, waarbij de tanden loodrecht in de kaak moeten staan.
Ogen : Middelgroot, amandelvormig, licht schuin geplaatst.  De kleur is donkerbruin tot zwart, goed            
          aanliggende oogranden bij voorkeur zwart.
Oren : Hoog aangezette, goed rechtop gedragen evenwijdig en goed naar vorengerichte grote staande oren
         in de vorm van een langgerekte van boven licht afgeronde driehoek.

Hals : Middellang en goed gespierd, harmonieus verlopend in het lichaam, zonder keelhuid; de elegante nek-
         lijn verloopt zonder onderbreking vanaf het matig hoog gedragen hoofd tot de schoft.

Lichaam :
Lichaam : Krachtig, goed gespierd, middellang.
Schoft : Benadrukt.
Rug : Horizontaal, vast.
Lendenen : Sterk bespierd.
Kruis : Lang en van gemiddelde breedte, vanaf de aanzet helt hij geleidelijk naar de staartwortel.
Borst : Niet te breed, diep tot aan de ellebogen reikend, hij beslaat ongeveer de halve schofthoogte.  Ovale
          en ver naar achter reikende borstkas.  Duidelijke voorborst.
Buik en flanken : Slanke, stevige flanken.  De buiklijn verloopt licht naar boven.

Staart :
Rondom vol behaarde sabelstaart die naar de punt toe smaller wordt.  Nogal laag aangezet en tenminste reikend tot aan het spronggewricht, in rust hangend of het onderste een derde deel licht opgebogen, als de hond alert is wordt hij hoger gedragen, maar nooit hoger dan de ruglijn.

Ledematen :
Krachtig, pezig, middelzwaar

Voorhand :
In front gezien recht en matig breed, van opzij gezien goed gehoekt.

Schouder :
Lang en goed schuin gesteld schouderblad, goede hoeking, de gehele schouderpartij goed gespierd.

Opperarm :
Voldoende lang, sterk bespierd.

Ellebogen :
Goed aangesloten.

Onderarm :
Lang, recht en droog.

Middenvoorvoet :
Stevig en licht schuin gesteld.

Achterhand :
Van achter gezien recht en evenwijdig, niet te breed staand, van opzij gezien goed gehoekt.

Dijbeen :
Middellang, met sterke bespiering.

Onderbeen :
Middellang, schuin gesteld met stevige botten en goed bespierd.

Spronggewricht :
Krachtig, goed gehoekt.

Middenachtervoet :
Middellang, recht en pezig.  Wolfsklauwtjes moeten verwijderd (met uitzondering in die landen waar verwijdering van de wolfsklauwtjes verboden is).

Voeten :
Ovaal, achter iets langer dan voor, tenen dicht sluitend en goed gewelfd.  Stevige, zwarte voetzoelen; donkere nagels gewenst.
 
Gangwerk :
Regelmatige gangen, vrij en volhardend : lange passen en krachtige stuwing; tijdens de draf is de beweging uitgrijpend en vlot.

Huid :
Zonder rimpelvorming en donker gepigmenteerd.

Vacht :
Middellang, dicht, goed aanliggend stok- of langstokhaar, overvloedige ondervacht, dichte rechte dekvacht, recht stekelhaar.  Snuit, gezicht, oren en voorzijde van de benen zijn wat korter behaard, nek en achterzijde van de benen zijn iets langer behaard.  Licht golvend maar hard haar is toegestaan.

Kleur :
Wit.

Maat en gewicht :
schofthoogte en gewicht :
Reuen  :  60-66 cm - ca. 30-40 kg.
Teven  :  55-61 cm - ca. 25-35 kg.
Rastypische honden mogen wegens een lichte onder- of bovenmaat niet worden gediskwalificeerd.

Fouten :
Elke afwijking van voorgenoemde punten is als fout te beschouwen waarvan waardering in verhouding staat tot de mate van afwijking.

Lichte fouten :
Lichte wildkleur (zwakke gelige of bruinrode gloed) aan oorpunten, rug of op de staart.
Vlekkerig pigmentverlies op de neus, lipranden en/of oogranden.

Zware fouten :
  • plompe verschijning, vierkant gebouwd (te kort)
  • onvoldoende geslachtskenmerken bij reuen en teven
  • het ontbreken van meedere gebitselementen dan ten hoogste twee P1. De M3 wordt buiten beschouwing gelaten

  • hangoren, tiporen, knoporen
  • Sterk aflopende ruglijn
  • ringstaart, knikstaart, haakstaart, op de rug gedragen staart
  • zacht dekhaar, zijdeachtig, wollig, gekruld, niet goed tegen het lichaam aanliggend haar; uitgesproken langhaar zonder ondervacht
  • duidelijke wildkleur ( geelachtige of bruinrode gloed) aan oorpunten, rug en boven zijde staart
Diskwalificerende fouten :

  • angstige honden, agressieve honden
  • 1 of beide ogen blauw, uitpuilende ogen
  • entropion, ectropion, uitpuilende oog
  • ondervoorbeet, bovenvoorbeet, scheefstaande snijtanden
  • volledig pigmentverlies van de neusspiegel, lipranden en/of oogranden
  • volledig pigmentverlies van de huid en de voetzolen
  • albinisme
NB : Reuen moeten in het bezit zijn van twee normaal ontwikkelde testikels, die volledig zijn ingedaald in het
      scrotum.